Toediening

Veiligheid praktijkmedewerkers

Het NHG-advies is op dit moment om als zorgverlener minimaal een mondneusmasker (ten minste type IIR) te dragen wanneer je binnen 1,5 meter van de patiënt komt. Houd daarnaast zoveel mogelijk 1,5 meter afstand.

Toediening van het vaccin

  • Het vaccin wordt intramusculair toegediend in de bovenarm (m. deltoïdeus). Als er niet in de bovenarm gevaccineerd kan worden, kan de vaccinatie in het bovenbeen worden toegediend (m. vastus lateralis). Het vaccin mag niet subcutaan of intradermaal worden toegediend, omdat het dan slechter werkt of zelfs onwerkzaam is.
  • Gebruik een langere naald (38 mm) voor patiënten met morbide obesitas.
  • De injectiespuit moet voor de injectie worden ontlucht tot de naaldopzet. Verder ontluchten kan gepaard gaan met vaccinverlies.
  • Controle op het aanprikken van een bloedvat voorafgaand aan het inspuiten van het vaccin is niet noodzakelijk.
  • Toediening van een (vrijwel) volledige dosis (> 90%) van het vaccin is nodig. Als dat niet is toegediend, moet de vaccinatie direct worden herhaald. Dit mag in hetzelfde ledemaat. Een eventueel dubbele dosis is niet schadelijk en geeft ook niet meer bijwerkingen.
  • Na vaccinatie vloeit er vaak een druppel vaccinatievloeistof terug op de huid. Dit is niet erg; er hoeft geen nieuwe vaccinatie gezet te worden.
  • Laat bij gebruik van bloedverdunners 2 minuten afdrukken zonder te wrijven. Lees in het onderdeel contra-indicaties meer over de adviezen bij gebruik van een cumarinederivaat of DOAC.
  • Observeer de patiënt na toediening 15 minuten in verband met risico op een anafylactische reactie. Observeer bij een anafylactische reactie in het verleden 30 minuten.
  • Het vaccin bevat genetisch gemodificeerd virus. Als er vaccin geknoeid is, dient er met geschikt desinfectans te worden schoongemaakt.

Combineren met andere vaccinaties

Bij toediening van een COVID-19-vaccin hoeft geen specifiek interval gehanteerd te worden met andere vaccins, bijvoorbeeld uit het Rijksvaccinatieprogramma, de griep- of pneumokokkenvaccinatie en reizigersvaccinaties. Ook het gelijktijdig toedienen van een ander vaccin heeft geen invloed op de immunogeniciteit of reactogeniciteit van de vaccins (Lazarus 2021BMJ 2021). Ook voor de bewaking van bijwerkingen van COVID-19-vaccins is het niet meer nodig om een interval te hanteren.

Anafylactische reactie

Anafylaxie is waarschijnlijk bij een acuut (binnen minuten of uren) begin van de volgende klachten na blootstelling aan een allergeen (bron: NHG-Behandelrichtlijn Geneesmiddelen en zuurstof in spoedeisende situaties):

  • klachten van huid of slijmvliezen (urticaria, pruritus, of ‘flushing’, zwelling van lippen, tong of uvula), en:
  • ≥ 1 van de volgende symptomen:
    • verlaagde bloeddruk:
      • ≥ 12 jaar: systolisch ≤ 90 mmHg of > 30% verlaging van de uitgangswaarde voor die patiënt
      • kinderen < 12 jaar: kenmerken van hypotensie (verhoogde pols, collapsneiging)
    • tekenen van een bedreigde ademhaling (dyspneu, piepen, stridor, hypoxie, gevoel van zwelling in de keel)
    • gastro-intestinale klachten (krampende buikpijn of braken)

Hypotensie na blootstelling aan een voor de patiënt bekend of aannemelijk allergeen kan ook duiden op anafylaxie.

Handel bij anafylaxie als volgt (zie tabel 2).

  • Geef adrenaline intramusculair (zie voor doseringsadvies onderstaande tabel).
  • Herhaal dit iedere 5 tot 15 minuten bij onvoldoende effect, verergering van de klachten of hypotensie.
  • Bel (intussen) een ambulance met A1-indicatie.
  • Geef 10 tot 15 liter zuurstof/minuut (bij kinderen: 10 liter) via een non-rebreathing masker (indien beschikbaar).
  • Geef bij reacties met bronchospasme of bij patiënten bij wie na toediening van adrenaline en hemodynamisch herstel bronchospasme persisteert enkele pufjes salbutamol (zie voor doseringsadvies onderstaande tabel).
  • Breng zo mogelijk een infuusnaald in, spuit deze eventueel door met minstens 2 ml NaCl 0,9%.
  • Geef bij shockverschijnselen ringerlactaatoplossing of NaCl 0,9%.
  • Geef clemastine (intraveneus of intramusculair). (Zie voor doseringen en toedieningsvorm onderstaande tabel).
  • Overweeg in afwachting van de ambulance dexamethason intraveneus/intramusculair toe te dienen ter voorkoming van een late reactie. Dit heeft minder prioriteit dan toediening van adrenaline, clemastine en inbrengen van een infuusnaald en eventueel infusievloeistof.
MedicatieDosering Contra-indicatiesWerkingssnelheid/-duur
Adrenaline 1 mg/ml;
ampul 1 ml
Volwassene en kind ≥ 12 jaar: intramusculair 0,5 mg (= 0,5 ml)
Kind < 12 jaar: intramusculair 0,01 mg/kg (max. 0,5 mg)
Geef bij:
0-6 jaar: 0,15 mg (= 0,15 ml)
6-12 jaar: 0,3 mg (= 0,3 ml)

Herhaal zo nodig na 5 tot 15 minuten
Na 3-5 min
Salbutamol
dosisaerosol 100 microg/dosis
vernevelvloeistof* 1
mg/ml; 2,5 ml flacon 2
mg/ml; 2,5 ml flacon
Volwassene: 4-10 pufjes met
voorzetkamer
Kind: 4-8 pufjes met voorzetkamer
Volwassene en kind ≥ 5 jaar:
vernevelen** 2,5-5 mg
Kind < 5 jaar: vernevelen** 2,5 mg
Binnen 5 min.
Duur: 4-6 uur
Clemastine
1 mg/ml; ampul 2 ml
Volwassene: intramusculair of
langzaam*** intraveneus 2 mg
Kind > 1 maand: intramusculair of langzaam*** intraveneus 25-50 microg/kg (max. 2 mg)
Intramusculair na 45-60 min. Intraveneus na enkele min.
Duur: ongeveer 12 uur
Dexamethason
4 mg/ml; ampul 1 m
Volwassene: intramusculair (of
langzaam*** intraveneus) 4-8 mg

Kind > 6 maanden: intramusculair (of langzaam intraveneus) 0,15 mg/kg (max. 4 mg)
Na enige uren
Tabel Medicatie bij anafylaxie

* Facultatief geneesmiddel: de huisarts of huisartsengroep bepaalt welke middelen deze beschikbaar wil hebben
** Geef 6 tot 8 liter zuurstof/minuut om de (minimaal 4 ml) vloeistof in de vernevelkamer te vernevelen (vul eventueel aan met fysiologisch zout). De vernevelkamer kan worden aangesloten op een vernevelmasker.
*** Langzaam = in 2-3 minuten;  zeer langzaam = in 4-5 minuten

Contra-indicaties  | Registreren

Naar boven