Vaccineren (COVID-19-vaccinatie)

Planning van het vaccineren

Afhankelijk van het aantal patiënten in uw selectie kunt u beslissen:

  • een apart vaccinatiespreekuur te organiseren:
    • op de praktijk
    • op een alternatieve locatie vergelijkbaar met het griepvaccinatiespreekuur dat u COVID-19 veilig heeft georganiseerd in 2020
    • op een alternatieve locatie in samenwerking met uw regio-organisatie of huisartsenpost
  • op de praktijk op afspraak te vaccineren

Er zijn verschillende mogelijkheden waarmee uw patiënten met behulp van een webapplicatie zelf afspraken kunnen plannen. Deze kunnen aan uw HIS gekoppeld zijn maar zijn ook los beschikbaar. De veiligheidseisen voor dit vaccinatiespreekuur staan beschreven in het NHG-Addendum Organisatie van het vaccinatiespreekuur in de huisartsenpraktijk in tijden van COVID-19: Addendum bij de NHG-Praktijkhandleidingen ‘Griepvaccinatie’ en ‘Pneumokokkenvaccinatie’.

Veiligheid praktijkmedewerkers

De persoonlijke bescherming maatregelen tijdens het vaccineren zijn beschreven in het NHG-Addendum Organisatie van het vaccinatiespreekuur in de huisartsenpraktijk in tijden van COVID-19: Addendum bij de NHG-Praktijkhandleidingen ‘Griepvaccinatie’ en ‘Pneumokokkenvaccinatie’.

De ziekte COVID-19 en het vaccineren tegen COVID-19 maken veel emoties los in de samenleving, zowel bij voor- als tegenstanders. Het is mogelijk dat praktijkmedewerkers en patiënten te maken krijgen met agressie. Het LHV heeft met de veiligheidsregio’s afspraken gemaakt om uw veiligheid te waarborgen.

Voor alle huisartsenpraktijken die ingezet worden als toedienlocatie maakt de politie een afspraak op locatie (AOL). Hierdoor weet de politie bij meldingen direct dat het een vaccinatielocatie betreft en zal daarnaar handelen. Voor huisartsen betekent dit als zij bij ongeregeldheden 112 of 0900-8844 bellen, zij ervan uit kunnen gaan dat er versneld wordt opgetreden. De huisartsen hoeven vooraf niet zelf actief de politie te benaderen. Het is de bedoeling dat de veiligheidsregio’s contact opnemen met de huisartsen. Dit loopt meestal via de GHOR en de ROAZ in de regio.

Absolute contra-indicaties

Voor de COVID-19-vaccins gelden als absolute contra-indicaties (RIVM-Richtlijn Uitvoering COVID-19-vaccinatie 2021):

  • aangetoonde ernstige allergie voor een van de bestanddelen van het vaccin
  • aangetoonde zeer ernstige allergische reactie na een eerdere toediening van hetzelfde vaccin

Relatieve contra-indicaties

Bij relatieve contra-indicaties moet overwogen worden waar het grootste risico ligt, bij de vaccinatie of bij de door deze vaccinatie te voorkomen ziekte. Relatieve contra-indicaties zijn:

  • vanaf 38,5 graden koorts
  • COVID-19
  • bloed- en plasmaproducten
  • anesthesie
  • epilepsie en niet goed ingesteld zijn op medicatie
  • zwangerschap en borstvoeding
  • ernstige immuunstoornissen en hiv
  • stollingsstoornissen en antistollingsmedicatie
  • okselklierverwijdering

Uitstel vanaf 38,5 graden koorts

Als een persoon te ziek is, kan een vaccinatie beter uitgesteld worden om verwarring tussen ziekteverschijnselen en bijwerkingen te voorkomen. Koorts is daarvoor een graadmeter. Stel bij een temperatuur van 38,5 °C of hoger de vaccinatie uit.

Patiënten met COVID-19

Mensen die klachten hebben passend bij COVID-19, worden eerst getest. Zij mogen niet naar de vaccinatielocatie komen.

Mensen met een negatieve test zonder koorts kunnen gevaccineerd worden.

Mensen die COVID-19 doorgemaakt hebben, kunnen veilig gevaccineerd worden met COVID-19-vaccin. De vaccinatie kan de al bestaande antistoffen mogelijk zelfs een stimulans geven. Wel hanteert men een interval, om goed onderscheid te kunnen maken tussen klachten passend bij het doormaken van de ziekte en klachten veroorzaakt door de vaccinatie. Na minimaal 4 weken na het begin van de symptomen kan de vaccinatie worden toegediend.

Mensen die een positieve testuitslag voor COVID-19 hebben, zowel op basis van een neus- of keelwat (sneltest of PCR) als antistoffen in het bloed maar die geen klachten hebben, kunnen vanaf 4 weken na de test gevaccineerd worden.

Mensen die langdurige klachten houden na het doormaken van COVID-19, zoals vermoeidheid, kunnen ook gevaccineerd worden vanaf 4 weken na het begin van de symptomen. Als er een verslechtering is van de gezondheidstoestand, kan dat een reden zijn om de vaccinatie uit te stellen, zodat helder blijft waardoor klachten veroorzaakt worden.

Mensen die COVID-19 hebben doorgemaakt, kunnen behandeld zijn met dexamethason, plasma met gepoolde COVID-19-antistoffen, monoklonale antistoffen of antivirale middelen. Aangezien het COVID-19-vaccin geen levend viraal materiaal bevat, zijn deze behandelingen geen contra-indicaties voor COVID-19-vaccinatie. De timing van de vaccinatie vraagt wel aandacht, want de effectiviteit van vaccinatie zal in theorie beter zijn als het interval langer is. Als iemand is behandeld met monoklonale anti-covid-19-antistoffen of plasma met antiCOVID-19-antistoffen (passieve immuniteit), is de verwachting dat de vaccinreactie minder goed zal zijn omdat er nog wel enige maanden anti-spike-antistoffen kunnen circuleren. Het is daarom goed een interval te hanteren van minimaal 2-3 maanden na beëindigen van deze behandeling.

Bloed- en plasmaproducten

Na toediening van gewone bloedproducten en plasmaproducten, anders dan plasma met gepoolde COVID-19-antistoffen of monoklonale antistoffen, wordt een interval van 60 dagen geadviseerd. Dit is in tegenspraak met de interval die aangehouden wordt na een medische ingreep zoals beschreven als relatieve contra-indicatie onder Anesthesie en vaccinaties.

Anesthesie en vaccinaties

Een geplande medische ingreep onder volledige anesthesie kan een reden zijn om een vaccinatie uit te stellen. Vaak hanteert men een interval van minimaal 48 uur tussen geïnactiveerd vaccin of vaccin zonder levend viraal materiaal en anesthesie.

Informeer in geval van een medische ingreep onder anesthesie bij het ziekenhuis welk interval daar gehanteerd wordt.

Na afloop van de medische ingreep hoeft geen interval gehanteerd te worden. Ook als er vanwege de ingreep regulier plasma of immunoglobuline is toegediend, wordt bij vaccinatie met het COVID-19-vaccin geen interval aangehouden.

Dit minimale interval van 48 uur wordt geadviseerd om de volgende redenen.

  • De mogelijke bijwerkingen van de vaccinatie zijn dan verdwenen, zodat die niet verward kunnen worden met eventuele pre- of postoperatieve complicaties.
  • Het interval beperkt de kans dat door ziekte de ingreep moet worden uitgesteld.
  • Het is prettiger om geen anesthesie en medische ingreep te ondergaan tijdens een periode waarin iemand zich niet lekker voelt door mogelijke vaccinatiebijwerkingen.

Epilepsie en niet goed ingesteld zijn op medicatie

Bij epilepsie kan een vaccinatie of koorts na vaccinatie een convulsie uitlokken. Bij personen die bekend zijn met het krijgen van convulsies na vaccinatie of koorts, wordt een afweging gemaakt tussen de voor- en nadelen van de COVID-19-vaccinatie. Neem hierover zo nodig contact op met de behandelend specialist.

Zwangerschap en borstvoeding

Er is nog onvoldoende bekend over de veiligheid van vaccinatie met COVID-19-vaccin. Het algemene advies is om na de zwangerschap te vaccineren. Uit preklinische trials zijn geen aanwijzingen gekomen die duiden op nadelige gevolgen van vaccinatie tijdens zwangerschap. Deze worden ook niet verwacht bij dergelijk vaccin, dat geen levend viraal materiaal bevat. Als vanwege gezondheidsredenen de voordelen van vaccineren zwaarder wegen dan de theoretische nadelen, kan de behandelend arts op individueel niveau tot een ander advies komen. Het is aannemelijk dat de COVID-19-vaccins BioNTech-Pfizer en Moderna net zoals andere niet levende vaccins, niet in de moedermelk terecht komt en vaccinatie geen enkel bezwaar vormt.

Als per abuis de 1e vaccinatie toch tijdens de zwangerschap is toegediend:

  • dien de 2e vaccinatie na de zwangerschap toe
  • meld deze situatie bij het Bijwerkingencentrum Lareb om de zwangerschap te volgen
  • informeer, in overleg met de zwangere, ook de verloskundige zorgverlener

Ernstige immuunstoornissen en hiv

Voor mensen met ernstige immuunstoornissen (immuundeficiënties, hematologische aandoeningen, gebruik van immuunsuppressiva of cytostatica) en hiv (ongeacht aantal CD4- cellen) zijn op dit moment onvoldoende gegevens bekend over de werkzaamheid en veiligheid van COVID-19-vaccins. Bij ernstige immuunsuppressie is de kans groot dat de immuunrespons op het vaccin afgenomen is. Daarom moeten beschermende maatregelen als social distancing van kracht blijven zolang de infectiekans hoog blijft. Data over veiligheid in deze groepen zijn nog onvoldoende voorhanden. Voor deze groep ernstig immuungecompromitteerden is dus een zorgvuldige afweging van de voordelen en mogelijke (nu nog onbekende) nadelen van een COVID-19-vaccinatie van belang. Tijdelijk uitstel van vaccinatie is geadviseerd als de verwachting is dat de immuunrespons verbetert met de tijd (zoals bijvoorbeeld na staken van biologicals, chemotherapie of tijd na transplantatie). De behandelend arts speelt hierin een belangrijke rol.

Stollingsstoornissen en antistollingsmedicatie

Het advies is om bij aangeboren stollingsstoornissen in principe alle vaccins subcutaan toe te dienen, tenzij na overleg met de behandelaar gekozen wordt voor de intramusculaire route. Zowel het BioNTech-Pfizer-vaccin als het Moderna-vaccin moeten intramusculair toegediend worden. Bij het gebruik van antistollingsmedicatie zoals directe orale anticoagulantia (DOAC’s) en cumarinederivaten kunnen vaccins en immunoglobulines (mits volume ≤ 1 ml) intramusculair toegediend worden. De voorwaarde is dat de vaccinatieplaats gedurende minstens 2 minuten stevig afgedrukt wordt zonder te wrijven en dat bij het gebruik van cumarinederivaten de international normalized ratio (INR, de protrombinetijdbepaling) stabiel is (< 3,5). Een INR geldt als stabiel als de afgelopen 3 maanden het medicatiebeleid volgens de INR-controles niet aangepast hoefde te worden.

Er zijn geen wetenschappelijke gegevens bekend over het risico van spierbloedingscomplicaties bij gebruik van DOAC na vaccinatie. Vooralsnog lijkt er op grond van het werkingsprofiel geen reden om te veronderstellen dat door het gebruik van deze middelen een contra-indicatie ontstaat voor vaccinatie via de intramusculaire route als na toediening de injectieplaats stevig afgedrukt wordt zonder te wrijven. Aangezien het om relatief nieuwe medicatie gaat worden de volgende voorzorgsmaatregelen in acht genomen.

Voor personen die direct werkende antistollingsmedicatie (DOAC) gebruiken is de timing van de vaccinatie in relatie tot de inname van de medicatie van belang, omdat 3-4 uur na inname van de medicatie de piekspiegel bereikt wordt. Dit betekent in de praktijk dat men bij voorkeur bij een eenmaal daagse inname van DOAC minimaal 12 uur aanhoudt tussen de laatste inname van de DOAC-tablet en het moment van vaccineren. Bij een tweemaal daagse inname van DOAC heeft het de voorkeur om vlak voor inname van de volgende tablet te vaccineren. Indien dit praktisch niet haalbaar is, heeft het de voorkeur om het vaccin minimaal 4 uur na laatste inname toe te dienen. Indien dit praktisch niet haalbaar is, dan kan toch in overleg met een arts (mits het volume ≤1 ml) i.m. gevaccineerd worden. Bij gebruik van een DOAC dient altijd na vaccineren 2 minuten stevig te worden afgedrukt zonder te wrijven. Indien het vaccin tijdens de piekspiegel gegeven wordt dus binnen de 3-4 uur na inname wordt geadviseerd om 10 minuten stevig af te drukken zonder te wrijven (bron: LCR).

Voorbeelden van DOAC zijn: bij eenmaal daagse dosering: rivaroxaban of edoxaban; bij een tweemaal daagse dosering: apixaban of dabigatran.

Okselklierverwijdering

Patiënten die een okselklierverwijdering hebben gehad, hebben mogelijk instructies gekregen om medische handelingen aan de behandelde arm te vermijden ter voorkoming van lymfoedeem. Onderzoek heeft echter geen vergroot risico aangetoond op het ontstaan van lymfoedeem. Conform internationale aanbevelingen is het advies om in principe voor de niet-behandelde arm te kiezen, maar de andere arm hoeft niet strikt vermeden te worden.

Wat te doen bij een anafylactische reactie?

Anafylaxie is waarschijnlijk na blootstelling aan een allergeen bij een acuut (binnen minuten of uren) begin van de volgende klachten (bron: NHG-Behandelrichtlijn Geneesmiddelen en zuurstof in spoedeisende situaties):

  • klachten van huid of slijmvliezen (urticaria, pruritus, of ‘flushing’, zwelling van lippen, tong of uvula), en:
  • ≥ 1 van de volgende symptomen:
    • verlaagde bloeddruk:
      • ≥ 12 jaar: systolisch ≤ 90 mmHg of > 30% verlaging van de uitgangswaarde voor die patiënt
      • kinderen < 12 jaar: kenmerken van hypotensie (verhoogde pols, collapsneiging)
    • tekenen van een bedreigde ademhaling (dyspneu, piepen, stridor, hypoxie, gevoel van zwelling in de keel)
    • gastro-intestinale klachten (krampende buikpijn of braken)

Hypotensie na blootstelling aan een voor de patiënt bekend of aannemelijk allergeen kan ook duiden op anafylaxie.

Handel bij anafylaxie als volgt (zie tabel 2).

  • Geef adrenaline intramusculair.
    • Herhaal dit iedere 5 tot 15 minuten bij onvoldoende effect, verergering van de klachten of hypotensie.
  • Bel (intussen) een ambulance met A1-indicatie.
  • Geef 10 tot 15 liter zuurstof/minuut (bij kinderen volstaat 10 liter) via een non-rebreathing masker (indien beschikbaar).
  • Geef bij reacties met bronchospasme of bij patiënten bij wie na toediening van adrenaline en hemodynamisch herstel bronchospasme persisteert enkele pufjes salbutamol (zie voor doseringsadvies tabel 2).
  • Breng zo mogelijk een infuusnaald in, spuit deze eventueel door met minstens 2 ml NaCl 0,9%.
  • Geef bij shockverschijnselen ringerlactaatoplossing of NaCl 0,9%.
  • Geef clemastine (intraveneus of intramusculair). Zie voor doseringen en toedieningsvorm tabel 2.
  • Overweeg in afwachting van de ambulance dexamethason intraveneus/intramusculair toe te dienen ter voorkoming van een late reactie. Dit heeft minder prioriteit dan toediening van adrenaline, clemastine en inbrengen van een infuusnaald en eventueel infusievloeistof.
MedicatieDosering
Contra-indicaties
Werkingssnelheid/
-duur
Adrenaline 1 mg/ml;
ampul 1 ml
Volwassene en kind ≥ 12 jaar: intramusculair 0,5 mg (= 0,5 ml)
Kind < 12 jaar: intramusculair 0,01 mg/kg (max. 0,5 mg)
Geef bij:
0-6 jaar: 0,15 mg (= 0,15 ml)
6-12 jaar: 0,3 mg (= 0,3 ml)

Herhaal zo nodig na 5 tot 15 minuten
Na 3-5min
Salbutamol
dosisaerosol 100 microg/dosis
vernevelvloeistof* 1
mg/ml; 2,5 ml flacon 2
mg/ml; 2,5 ml flacon
Volwassene: 4-10 pufjes met
voorzetkamer
Kind: 4-8 pufjes met voorzetkamer
Volwassene en kind ≥ 5 jaar:
vernevelen** 2,5-5 mg
Kind < 5 jaar: vernevelen** 2,5 mg
Binnen 5 min.
Duur: 4-6 uur
Clemastine
1 mg/ml; ampul 2 ml
Volwassene: intramusculair of
langzaam*** intraveneus 2 mg
Kind > 1 maand: intramusculair of langzaam*** intraveneus 25-50 microg/kg (max. 2 mg)
Intramusculair na 45-60 min. Intraveneus na enkele min.
Duur: ongeveer 12 uur
Dexamethason
4 mg/ml; ampul 1 m
Volwassene: intramusculair (of
langzaam*** intraveneus) 4-8 mg

Kind > 6 maanden: intramusculair (of langzaam intraveneus) 0,15 mg/kg (max. 4 mg)
Na enige uren
Tabel 2 Medicatie bij anafylaxie

* Facultatief geneesmiddel: de huisarts of huisartsengroep bepaalt welke middelen deze beschikbaar wil hebben
** Geef 6 tot 8 liter zuurstof/minuut om de (minimaal 4 ml) vloeistof in de vernevelkamer te vernevelen (vul eventueel aan met fysiologisch zout). De vernevelkamer kan worden aangesloten op een vernevelmasker.
*** Langzaam = in 2-3 minuten;  zeer langzaam = in 4-5 minuten

Het vaccinatiespreekuur

Behalve het toedienen van het vaccin en het innemen van de oproep voor het vaccin (voor eigen administratie) zijn er extra handelingen nodig bij COVID-19-vaccinatie in vergelijking met de griepvaccinatie.

  • Gezondheidscheck bij binnenkomst
  • Controle op (absolute) contra-indicaties bij binnenkomst
  • Controleren of opt-in-toestemming niet vergeten is in te vullen
  • Controle op tijdsinterval 1e en 2e toediening. Borgen dat 2e toediening mogelijk is na 1e toediening
  • Halveren oproep voor inname bij 1e vaccinatie en eventueel aantekenen wanneer 1e vaccin gegeven is op de oproep voor de 2e toediening
  • Vaccinatieregistratiekaartje invullen en sticker(s) met vaccinnaam en batch nummer plakken
    • Tip: gebruik een datumstempel bij het invullen van de vaccinatieregistratiekaartjes
  • Vooralsnog is zowel voor het BioNTech-Pfizer-vaccin als het Moderna-vaccin: 15 minuten observatie na vaccinatie nodig

Vaccinatieregistratiekaartje

Bij de vaccinatie krijgt elke gevaccineerde een vaccinatieregistratiekaartje mee.

Hierop staan:

  • naam + geboortedatum van de patiënt (door de patiënt zelf in te vullen)
  • vaccinatiedatum 1e prik (invullen door uitvoerder, evt. met behulp van een datumstempel)
  • productnaam en batchnummer 1e prik (sticker, geleverd door RIVM)
  • vaccinatiedatum 2e prik (in te vullen door uitvoerder, eventueel met een datumstempel)
  • Productnaam en batchnummer 2e prik (sticker, geleverd door RIVM)
  • QR-code of weblink naar de bijsluiter (sticker, geleverd door RIVM)

Van de uitvoerder wordt gevraagd om een datum op het kaartje te schrijven of te stempelen, een sticker erop te plakken en het kaartje aan de cliënt te overhandigen.

Waarom dit papieren registratiekaartje?

  • Cliënten doen vaak zelf een melding bij Bijwerkingencentrum Lareb als zij bijwerkingen hebben en daarbij hebben zij deze gegevens nodig.
  • Patiënten kunnen zelf terugvinden met welk vaccin zij gevaccineerd zijn en hebben gemakkelijk toegang tot de bijsluiter.
  • Ook patiënten die geen toestemming hebben gegeven om hun gegevens door te geven aan het centrale register CIMS, kunnen aantonen dat ze gevaccineerd zijn.
  • Een kaartje geeft vertrouwen dat er openheid is tegenover de patiënt over het middel waarmee die persoon is gevaccineerd.

Toediening van het vaccin

Hier komt een beschrijving van de toediening van het vaccin dat in de praktijk gebruikt gaat worden.

Een gemiste vaccinatie?

Bij koorts, klachten of andere reden kan uw patiënt een vaccinatie mislopen. Tabel 3 toont hoe deze situatie vervolgd wordt.

Voor ieder vaccin waarvoor 2 vaccinaties aanbevolen wordt, geldt een minimum- en maximuminterval in tijd voor het zetten van de 2e vaccinatie.

  • Als de 2e dosis eerder dan het minimuminterval na de 1e vaccinatie is toegediend, is deze vaccinatie ongeldig. Er moet dan een 3e vaccinatie worden toegediend met het juiste interval van het aantal voorgeschreven dagen na de 2e ongeldige vaccinatie.
  • Een langer interval is onwenselijk, maar als dit onverhoopt toch gebeurt, hoeft de vaccinatie niet opnieuw te worden toegediend.

Patiënten die onvolledig of niet gevaccineerd zijn via de huisarts, krijgen opnieuw de kans zich te laten vaccineren. De praktische inrichting hiervan is bij publicatie van deze versie van de praktijkhandleiding nog onbekend.

SituatieVervolgDeelname volgende huisartsenrond
No show
1e toediening
Zonder berichtGeenNee
VerhinderdNieuwe afspraak wordt gemaaktEventueel
WeigeraarGeenNee
No show
2e toediening
Zonder berichtGeen of nieuwe afspraak wordt gemaakt binnen de termijn voor 2e vaccinatie, indien mogelijk
Nee
VerhinderdNieuwe afspraak wordt gemaakt binnen de termijn voor 2e vaccinatie, indien mogelijkNee
Show 1e en 2e toedieningGeenNee
Tabel 3 Vervolgschema gemiste vaccinatie

Uitwisselbaarheid van vaccins

Er zijn geen gegevens beschikbaar over de effectiviteit van een serie bestaande uit 2 vaccins van verschillende fabrikanten.

Combineren van vaccinaties

Het COVID-19-vaccin wordt in principe niet tegelijk met een ander vaccin toegediend. Er zijn geen gegevens beschikbaar over toediening tegelijk met een ander vaccin. Om duidelijk te houden of eventuele klachten bijwerkingen van het COVID-19-vaccin zijn: hanteer een interval van minimaal 7 dagen tussen het COVID-19-vaccin en andere vaccins.

← Uitnodigen | Registreren →

Naar boven