Contra-indicaties (COVID-19-vaccinatie)

Absolute contra-indicaties

Voor alle COVID-19-vaccins

  • Aangetoonde ernstige allergie voor 1 van de bestanddelen van het vaccin
  • Aangetoonde ernstige allergische reactie na een eerdere toediening van een van de COVID-vaccins
  • Trombose in combinatie met trombopenie (VIPIT; TTS) na eerste vaccinatie met AstraZeneca-vaccin of Janssen-vaccin
  • Capillary leak syndrome na COVID-19-vaccinatie

Voor het AstraZeneca-vaccin en het Janssen-vaccin

  • Capillary leak syndrome in de voorgeschiedenis 

Zie ook de LCI COVID-19-vaccinatie Uitvoeringsrichtlijn 2021.

Een allergische reactie na een eerdere toediening van een COVID-19-vaccin

  • Een ernstige allergische reactie binnen 4 uur na vaccinatie, met noodzaak tot ingrijpen met medicatie, is een absolute contra-indicatie voor een tweede vaccinatie. 
  • Meerdere milde allergische symptomen die binnen 4 uur optreden in meerdere orgaansystemen vormen een absolute contra-indicatie voor een tweede vaccinatie. 
  • Allergische reacties die pas later (na 4 uur na vaccinatie) optraden kunnen samen ook een absolute contra-indicatie vormen voor een tweede vaccinatie. 
  • Bij een enkel minor symptoom dat vanzelf is overgegaan, is een tweede vaccinatie met verlengde observatie van minimaal 30 minuten en met acute deskundige opvang bij de hand een mogelijkheid.
  • Het advies is om bij twijfel over de ernst van de allergische reactie niet te vaccineren of te overleggen met de voorwacht van het RIVM. 

Beoordeling ernst van een allergische reactie na vaccinatie

Ernstige allergische reacties:

Huid of mucosa

  • Gegeneraliseerde urticaria of gegeneraliseerd erytheem
  • Angio-oedeem (niet aangeboren), lokaal of gegeneraliseerd
  • Gegeneraliseerde jeuk met een rash

Cardiovasculair

  • Gemeten lage bloeddruk
  • Klinische diagnose van shockverschijnselen op basis van meerdere van de volgende symptomen
    • Tachycardie
    • Capillaire refill trager dan 3 seconden
    • Verminderde (zwakke) pols (volume)
    • Duizelig, verlaagd bewustzijn of bewustzijnsverlies

Respiratoir

  • Bilaterale wheeze (bronchospasme)
  • Stridor, gevoel van dichte keel
  • Zwelling bovenste luchtwegen (lippen, tong, keel, uvula of larynx)
  • Respiratoire distress/benauwdheid
  • Tachypneu
  • Verhoogd gebruik van hulpademhalingsspieren
  • Intrekken
  • Cyanosis       
  • Grunting (snurken, kreunen)

Milde allergische reacties 

Huid en slijmvliezen

  • Gegeneraliseerde jeuk zonder rash
  • Gegeneraliseerd prikkerig gevoel
  • Lokale injectie plaats urticaria
  • Rode jeukende ogen

Cardiovasculair

  • Slechte perifere circulatie op basis van ≥ 2 symptomen 
    • Tachycardie 
    • Capillaire refill trager dan 3 seconden
    • Verlaagd bewustzijn/duizelig

Respiratoir

  • Persisterende droge hoest
  • Hees/hese stem
  • Niezen of loopneus/rinorroe

Maag-darm

  • Diarree
  • Buikpijn
  • Misselijk 
  • Braken

Een tweede vaccinatie met een ander COVID-19-vaccin na een allergische reactie wordt niet geadviseerd. Er zijn te weinig data over zowel allergische (kruis)reacties als over de effectiviteit. Deze zomer komt daar mogelijk meer duidelijkheid over als de gegevens van een groot Engels onderzoek bekend worden.

Het vooraf of na vaccinatie preventief nemen van medicatie om een allergische reactie te voorkomen kan een ernstige anafylactische reactie vertragen en wordt met kracht afgeraden. 

Anafylaxie

Een anafylactische reactie in het verleden (bijvoorbeeld na een ander vaccin, medicijn of voedingsmiddel) is geen contra-indicatie voor een COVID-19-vaccinatie, maar wel een reden om als voorzorgsmaatregel een wat langere observatieperiode van 30 minuten na de vaccinatie in acht te nemen. 

Relatieve contra-indicaties

In dit onderdeel bespreken we de relatieve contra-indicaties. Zwangerschap, borstvoeding en immuunstoornissen maken daar geen onderdeel meer van uit.

Overweeg bij relatieve contra-indicaties waar het grootste risico ligt, bij de vaccinatie of bij de door deze vaccinatie te voorkomen ziekte.

Uitstel vanaf 38,5 °C koorts

Als een persoon te ziek is, kan een vaccinatie beter uitgesteld worden om verwarring tussen ziekteverschijnselen en bijwerkingen te voorkomen. Koorts is daarvoor een graadmeter. Stel de vaccinatie bij een temperatuur van ≥ 38,5 °C uit.

Patiënten met COVID-19

Mensen die COVID-19 doorgemaakt hebben kunnen vanaf 8 weken na het begin van de symptomen gevaccineerd worden. 

Mensen die een bewezen COVID-19 doormaakten voorafgaand aan de eerste vaccinatie zijn voldoende beschermd na 1 vaccinatie en hoeven geen tweede vaccinatie te krijgen met uitzondering van ernstig immuungecompromitteerden:

  • patiënten met hematologische maligniteit gediagnosticeerd in de laatste 5 jaar
  • patiënten met ernstig nierfalen of dialyse
  • patiënten na orgaan- of beenmergtransplantatie
  • patiënten met een primaire immuundeficiëntie
  • patiënten van ≥ 80 jaar

Zij krijgen altijd de tweede dosis van het COVID-19-vaccin toegediend.

Bij het doormaken van COVID-19 na de eerste vaccinatie wordt de tweede vaccinatie wel gegeven met een interval van minimaal 8 weken na het begin van de symptomen.

Als iemand is behandeld met monoklonale anti-COVID-19-antistoffen kan pas 2-3 maanden na toediening van de antistoffen gevaccineerd worden.

Mensen die klachten hebben passend bij COVID-19 worden eerst getest. Zij mogen niet naar de vaccinatielocatie komen.

Mensen met een negatieve test zonder koorts kunnen gevaccineerd worden.

Mensen die COVID-19 doorgemaakt hebben, kunnen veilig gevaccineerd worden met het COVID-19-vaccin. De vaccinatie kan de al bestaande antistoffen mogelijk zelfs een stimulans geven. Wel hanteert men een interval, om goed onderscheid te kunnen maken tussen klachten passend bij het doormaken van de ziekte en klachten veroorzaakt door de vaccinatie. Na minimaal 8 weken na het begin van de symptomen kan de vaccinatie worden toegediend.

Mensen die een positieve testuitslag voor COVID-19 hebben zowel op basis van een neus- of keelswab (sneltest of PCR) als antistoffen in het bloed, maar die geen klachten hebben, kunnen vanaf 8 weken na de test gevaccineerd worden.

Mensen die langdurige klachten houden na het doormaken van COVID-19, zoals vermoeidheid, kunnen ook gevaccineerd worden vanaf 8 weken na het begin van de symptomen. Bij een verslechtering van de gezondheidstoestand kan dat een reden zijn om de vaccinatie uit te stellen, zodat helder blijft waardoor klachten veroorzaakt worden.

Mensen die COVID-19 hebben doorgemaakt, kunnen behandeld zijn met dexamethason, plasma met gepoolde COVID-19-antistoffen of antivirale middelen. Omdat de COVID-19-vaccins geen levend viraal materiaal bevatten, zijn deze behandelingen geen contra-indicaties voor COVID-19-vaccinatie. Er kan gevaccineerd worden zodra iemand hersteld is vanaf 4 weken na de start van de symptomen, identiek aan andere mensen die COVID-19 doorgemaakt hebben. Als iemand is behandeld met monoklonale anti-COVID-19-antistoffen (passieve immuniteit), kan de vaccinreactie minder goed zijn omdat er nog enige maanden hoge concentraties antistoffen aanwezig kunnen blijven. Een betere bescherming van de vaccinatie wordt verwacht indien een interval van minimaal 2-3 maanden na behandeling met monoklonale antistoffen wordt aangehouden voor vaccinatie.

Bloed- en plasmaproducten

Na toediening van gewone bloedproducten en plasmaproducten, anders dan monoklonale antistoffen, wordt geen interval geadviseerd.

Anesthesie en vaccinaties

Tussen COVID-19-vaccinatie en een medische ingreep met anesthesie wordt een interval van 48 uur aangehouden. Na een ingreep hoeft geen interval aangehouden te worden.

Een geplande medische ingreep onder volledige anesthesie kan een reden zijn om een vaccinatie uit te stellen. Vaak hanteert men een interval van minimaal 48 uur tussen geïnactiveerd vaccin of vaccin zonder levend viraal materiaal en anesthesie.

Informeer in geval van een medische ingreep onder anesthesie bij het ziekenhuis welk interval daar gehanteerd wordt.

Na afloop van de medische ingreep hoeft geen interval gehanteerd te worden. Ook als er vanwege de ingreep regulier plasma of immunoglobuline is toegediend, wordt bij vaccinatie met het COVID-19-vaccin geen interval aangehouden.

Dit minimale interval van 48 uur wordt geadviseerd om de volgende redenen.

  • De mogelijke bijwerkingen van de vaccinatie zijn dan verdwenen, zodat die niet verward kunnen worden met eventuele pre- of postoperatieve complicaties.
  • Het interval beperkt de kans dat door ziekte de ingreep moet worden uitgesteld.
  • Het is prettiger om geen anesthesie en medische ingreep te ondergaan tijdens een periode waarin iemand zich niet lekker voelt door mogelijke vaccinatiebijwerkingen.

Epilepsie

Bij epilepsie kan een vaccinatie of koorts na vaccinatie een convulsie uitlokken. Bij personen die bekend zijn met het krijgen van convulsies na vaccinatie of koorts, wordt een afweging gemaakt tussen de voor- en nadelen van de COVID-19-vaccinatie. Neem hierover zo nodig contact op met de behandelend specialist.

Stollingsstoornissen en antistollingsmedicatie

Het BioNTech/Pfizer-vaccin, Moderna-vaccin, Janssen-vaccin en het AstraZeneca-vaccin moeten intramusculair toegediend worden. Dit kan een intramusculaire bloeding geven bij mensen met een bloedingsneiging.

  • Patiënten die antistollingsmedicatie gebruiken drukken de vaccinatieplaats 2 minuten af zonder te wrijven. 
  • Patiënten die een cumarinederivaat gebruiken nemen voor vaccinatie contact op met de trombosedienst.
  • Patiënten die een LMWH of DOAC gebruiken worden bij voorkeur 6 uur na of 1 uur voor inname gevaccineerd. Indien dit niet lukt, drukt de patiënt de vaccinatieplaats 10 minuten af zonder te wrijven. 
  • Patiënten met een stollingsstoornis door een medische aandoening nemen voorafgaand aan de vaccinatie contact op met de behandelend specialist voor advies.

Bij het gebruik van antistollingsmedicatie, zoals directe orale anticoagulantia (DOAC’s) en cumarinederivaten, kunnen vaccins en immunoglobulines (mits volume ≤ 1 ml) intramusculair toegediend worden. De voorwaarde is dat de vaccinatieplaats gedurende minstens 2 minuten stevig afgedrukt wordt zonder te wrijven en dat bij het gebruik van cumarinederivaten de international normalized ratio (INR, de protrombinetijdbepaling) de dagen voor vaccinatie stabiel is (< 3,5). Een INR van ≥ 3,5 geldt als absolute contra-indicatie voor vaccinatie. Patiënten nemen voor vaccinatie contact op met de trombosedienst voor INR-controle voor en na vaccinatie. Er zijn geen wetenschappelijke gegevens bekend over het risico van spierbloedingscomplicaties bij gebruik van DOAC na vaccinatie. Vooralsnog lijkt er op grond van het werkingsprofiel geen reden om te veronderstellen dat door het gebruik van deze middelen een contra-indicatie ontstaat voor vaccinatie via de intramusculaire route als na toediening de injectieplaats stevig afgedrukt wordt zonder te wrijven. Aangezien het om relatief nieuwe medicatie gaat, worden de volgende voorzorgsmaatregelen in acht genomen.

Voor personen die direct werkende antistollingsmedicatie (LNWH of DOAC) gebruiken, is de timing van de vaccinatie in relatie tot de inname van de medicatie van belang, omdat 3-4 uur na inname van de medicatie de piekspiegel bereikt wordt. Dit betekent in de praktijk dat men bij voorkeur bij een eenmaal daagse inname of toediening van DOAC of LNWH minimaal 6 uur aanhoudt tussen de laatste inname of toediening en het moment van vaccineren. Bij een tweemaal daagse inname van DOAC heeft het de voorkeur om vlak voor inname van de volgende tablet te vaccineren. Indien dit praktisch niet haalbaar is, heeft het de voorkeur om het vaccin minimaal 6 uur na laatste inname toe te dienen. Indien dit praktisch niet haalbaar is, kan toch in overleg met een arts (mits het volume ≤ 1 ml) i.m. gevaccineerd worden. Indien het vaccin tijdens de piekspiegel gegeven wordt, dus binnen de 6 uur na inname, wordt geadviseerd om 10 minuten stevig af te drukken zonder te wrijven (bron: LCR).

Voorbeelden van DOAC zijn: bij eenmaal daagse dosering: rivaroxaban of edoxaban; bij een tweemaal daagse dosering: apixaban of dabigatran.

Okselklierverwijdering

Patiënten met een okselklierverwijdering kregen mogelijk instructies om medische handelingen zoals vaccinatietoediening aan de behandelde arm te vermijden ter voorkoming van lymfoedeem. Onderzoek heeft echter geen vergroot risico aangetoond op het ontstaan van lymfoedeem. Conform internationale aanbevelingen is het advies om in principe voor de niet-behandelde arm te kiezen, maar de andere arm hoeft niet strikt vermeden te worden.

Kwetsbaarheid

In Noorwegen en in Nederland zijn een aantal zeer kwetsbare mensen overleden na vaccinatie met een COVID-19-vaccin. Deze gebeurtenissen worden nog onderzocht en geven vooralsnog geen aanleiding tot het formuleren van een contra-indicatie voor de alleroudsten. Tot die tijd wordt aanbevolen om bij oude en heel fragiele mensen de voor- en nadelen te beoordelen of iemand geschikt is om te worden gevaccineerd en de optredende bijwerkingen van vaccinatie zoals koorts veilig kan verdragen.

Organiseren vaccinatiespreekuur  | Toediening

Naar boven